Aanwijzing voor de praktijk
Verzoeken om voorlopige maatregelen1

(Artikel 39 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof)

1 1. Aanwijzing voor de praktijk uitgevaardigd door de President van het Hof krachtens Artikel 32 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof op 5 maart 2003 en herzien op 16 oktober 2009, 7 juli 2011, 3 mei 2022 en 28 maart 2024

I. Inleiding

Binnen het stelsel van het Verdrag kan het Hof in uitzonderlijke omstandigheden, op verzoek van een partij of van een andere betrokken persoon, of ambtshalve, krachtens Artikel 39 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof voorlopige maatregelen treffen wanneer sprake is van een dreigend risico op onherstelbare schade. Deze maatregelen vervullen een essentiële rol bij het voorkomen van onomkeerbare situaties die nationale rechters en/of het Hof zouden beletten klachten krachtens het Verdrag naar behoren te onderzoeken en, waar passend, bij het waarborgen dat de verzoeker daadwerkelijk en effectief het genot heeft van de ingeroepen Verdragsrechten.

Wanneer een verwerende Verdragsluitende Partij voorlopige maatregelen niet naleeft, ondermijnt dit de doeltreffendheid van het door Artikel 34 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gewaarborgde recht op individueel verzoekschrift en de formele verplichting van de Staat krachtens Artikel 1 om de in het Verdrag neergelegde rechten en vrijheden te beschermen. Wanneer het Hof voorlopige maatregelen treft, oefent het overeenkomstig Artikel 19 zijn bevoegdheid uit om de nakoming te verzekeren van de verbintenissen die de Hoge Verdragsluitende Partijen in het Verdrag en de Protocollen daarbij zijn aangegaan; deze bevoegdheid strekt zich, zoals bepaald in Artikel 32 van het Verdrag, uit tot alle aangelegenheden betreffende de uitlegging en toepassing daarvan (zie onder meer Mamatkulov en Askarov t. Turkije [GK], nrs. 46827/99 en 46951/99, §§ 128–29, EHRM 2005-I; Paladi t. Moldavië [GK], nr. 39806/05, §§ 84–106, 10 maart 2009; M.K. en anderen t. Polen, nrs. 40503/17 en 2 andere, §§ 229–38, 23 juli 2020; en K.I. t. Frankrijk, nr. 5560/19, § 115, 15 april 2021). Voorlopige maatregelen zijn derhalve bindend.

De tekst van Artikel 39 is op 23 februari 2024 gewijzigd om nader te verduidelijken in welke omstandigheden voorlopige maatregelen kunnen worden getroffen en welke drempel geldt voor een verzoek daartoe en voor de toepassing ervan. Met de wijziging werd ook beoogd de tekst van het artikel in overeenstemming te brengen met de vaste rechtspraak en praktijk van het Hof inzake voorlopige maatregelen.

Deze herziene Aanwijzing voor de praktijk beoogt gedetailleerde richtsnoeren te geven over de materiële en procedurele aspecten van de procedure van het Hof inzake voorlopige maatregelen krachtens Artikel 39 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof. Zij moet meer duidelijkheid en transparantie bieden over het verloop van procedures betreffende voorlopige maatregelen, over de uitzonderlijke omstandigheden waarin zulke maatregelen kunnen worden toegestaan en over de gevallen waarin zij opnieuw kunnen worden onderzocht. Zij is gericht tot (potentiële) verzoekers, hun vertegenwoordigers, Verdragsluitende Partijen en belanghebbenden in het algemeen.

II. Reikwijdte en werking van de procedure inzake voorlopige maatregelen

A. De reikwijdte van Artikel 39 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof

Wanneer het Hof een voorlopige maatregel treft, doet het dat in uitzonderlijke omstandigheden en met het doel bescherming te bieden tegen een dreigend risico op onherstelbare schade. Het draagt de partijen bij de procedure daarom slechts op een dergelijke maatregel toe te passen indien het, na onderzoek van alle beschikbare informatie, van oordeel is dat de maatregel noodzakelijk is in het belang van de partijen of voor een goede procesvoering. Voorlopige maatregelen die door het Hof zijn getroffen, kunnen partijen verplichten bepaalde handelingen na te laten of hun opdragen specifieke maatregelen te nemen.

De nieuw gecodificeerde versie van Artikel 39 maakt duidelijk dat voorlopige maatregelen kunnen worden toegepast in zaken waarin sprake is van een “dreigend risico op onherstelbare schade aan een door het Verdrag beschermd recht”. Het begrip “onherstelbare schade aan een door het Verdrag beschermd recht” is gedefinieerd als schade die, wegens haar aard, niet vatbaar zou zijn voor herstel, terugkeer in de vorige toestand of passende compensatie. In dit verband moet “terugkeer in de vorige toestand” worden opgevat als herstel van de situatie zoals die bestond voordat enige schade was ontstaan. Het Hof treft dus voorlopige maatregelen wanneer het risico bestaat dat het uitblijven daarvan zou leiden tot een situatie waarin restitutio in integrum en andere vormen van herstel niet mogelijk zouden zijn indien het Hof die aan het einde van de bij hem aanhangige procedure gerechtvaardigd zou achten. De omstandigheden van een zaak moeten daarom een hoge ernstigheidsdrempel overschrijden voordat Artikel 39 toepassing kan vinden. Voorlopige maatregelen worden slechts getroffen wanneer er prima facie bewijs bestaat van een dreigend risico op onherstelbare schade, en niet wanneer verzoekers zonder zulke maatregelen louter moeilijkheden zouden ondervinden. Zie, wat de uitputting van nationale rechtsmiddelen betreft, deel III.C hieronder.

Het Hof treft voorlopige maatregelen dus in beginsel alleen in uitzonderlijke zaken en na een nauwgezet onderzoek van alle relevante omstandigheden. In de meeste van die zaken wijst het beschikbare bewijs op een duidelijk verdedigbare zaak waarin een werkelijke bedreiging van het leven en de lichamelijke integriteit bestaat, met het daaruit voortvloeiende reële risico van ernstige schade in strijd met de kernbepalingen van het Verdrag.

B. Beslissingsorganen in de procedure krachtens Artikel 39

De bevoegdheid van het Hof om te beslissen op verzoeken om voorlopige maatregelen wordt uitgeoefend door dienstdoende rechters of, in voorkomend geval, door de President van de Afdeling, de Kamer, de President van de Grote Kamer, de Grote Kamer of de President van het Hof (Artikel 39 § 2).

Dienstdoende rechters zijn de rechters die overeenkomstig Artikel 8 §§ 1 en 2 zijn gekozen als Vice-Presidenten van de vijf Afdelingen. Zij worden door de President van het Hof overeenkomstig Artikel 39 § 5 aangewezen om te beslissen op verzoeken om voorlopige maatregelen. Sinds 2022 treden alle vijf Vice-Presidenten van de Afdelingen op als dienstdoende rechters. In de praktijk onderzoeken dienstdoende rechters geen verzoeken om voorlopige maatregelen tegen de Verdragsluitende Partij waarvoor die rechter is gekozen of waarvan hij of zij onderdaan is.

In de gewijzigde versie van Artikel 39 heeft het Hof in plenaire vergadering besloten een specifieke rechtsgrondslag in te voeren die de President van het Hof in staat stelt, waar nodig, voorlopige maatregelen te treffen.

Verzoeken om voorlopige maatregelen in nieuwe individuele verzoekschriften worden in hoofdzaak onderzocht door dienstdoende rechters, bijgestaan door een gespecialiseerde eenheid binnen de Griffie van het Hof. Een dienstdoende rechter kan een verzoek om voorlopige maatregelen verwijzen naar een van de andere in Artikel 39 § 2 genoemde beslissingsorganen, met inbegrip van collegiale formaties. Een verwijzing kan zich in uiteenlopende situaties voordoen en hangt af van de aard van het verzoek, van de zaak waarin het verzoek wordt gedaan en van de mate van spoedeisendheid. Die spoedeisendheid kan eraan in de weg staan dat de zaak naar een collegiale formatie wordt verwezen; in dat geval kan de dienstdoende rechter besluiten Artikel 39 tijdelijk toe te passen, onder meer om het latere onderzoek van het verzoek om een voorlopige maatregel door een dergelijke formatie mogelijk te maken. Het is aan het Hof zelf om te beslissen of een verzoek door een collegiale formatie wordt onderzocht.

Verzoeken om voorlopige maatregelen die worden ingediend in interstatelijke verzoekschriften, in individuele verzoekschriften die aanhangig zijn bij de Grote Kamer en in reeds aan Afdelingen toegewezen individuele verzoekschriften waarvan kennis is gegeven, worden in beginsel onderzocht door de President van het Hof, de President van de Grote Kamer of de Presidenten van de Afdelingen. De mogelijkheid van verwijzing naar een collegiale formatie geldt ook wanneer de beslissingsbevoegdheid in eerste instantie berust bij de President van het Hof, de President van de Grote Kamer of de Presidenten van de Afdelingen.

C. Besluitvorming over verzoeken om voorlopige maatregelen

Na de herziening van het besluitvormingsproces krachtens Artikel 39, die het Hof in 2023 in plenaire vergadering heeft uitgevoerd, worden alle beslissingen van het Hof over voorlopige maatregelen, ongeacht hun aard (bijvoorbeeld het treffen van voorlopige maatregelen, de afwijzing van verzoeken, de aanhouding van het onderzoek van verzoeken of de opheffing van bestaande voorlopige maatregelen), aan de partijen meegedeeld in de vorm van een beslissing die is ondertekend door de dienstdoende rechter, de President van de Afdeling, de President van de Grote Kamer of de President van het Hof, al naargelang het geval. De namen van de rechters die beslissingen nemen in de procedure inzake voorlopige maatregelen worden in die beslissingen systematisch vermeld.

Beslissingen gaan vergezeld van een brief van de Griffie met informatie over de procedure, alsmede eventuele instructies aan de partijen of aan hen gerichte verzoeken.

Verzoekers worden via de ECHR Rule 39 Site, per fax of per post in kennis gesteld van de beslissingen van het Hof over verzoeken om voorlopige maatregelen.

Het Hof kan, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak, voorlopige maatregelen treffen tot nader order, voor de duur van de procedure voor het Hof of voor een beperkte periode.

Wanneer voorlopige maatregelen voor een beperkte periode worden toegestaan, kan dat uiteenlopende redenen hebben: het Hof wacht bijvoorbeeld op relevante informatie die het bij de partijen heeft opgevraagd; nationale rechters in lopende procedures moeten de kwestie waarop het verzoek om een voorlopige maatregel betrekking heeft volledig kunnen onderzoeken; er wordt geoordeeld dat een verzoek door een collegiale formatie moet worden onderzocht en dat meer tijd nodig is om een vergadering te plannen; of de dienstdoende rechter is van oordeel dat meer tijd nodig is voordat een beslissing kan worden gegeven.

Wanneer het Hof om meer informatie heeft verzocht, worden beide partijen krachtens Artikel 54 § 2 (a) van het Huishoudelijk Reglement van het Hof uitgenodigd de noodzakelijke informatie binnen een bepaalde termijn te verstrekken. De duur van die termijn hangt af van de omstandigheden van de zaak en de spoedeisendheid van het verzoek. In dergelijke gevallen kan het Hof na ontvangst van de informatie van de partijen besluiten een bestaande voorlopige maatregel te verlengen, niet te verlengen of op te heffen.

Het Hof kan ook besluiten het onderzoek van verzoeken om voorlopige maatregelen aan te houden en de partijen om informatie te vragen wanneer de mate van spoedeisendheid dit toelaat, in zaken waarin de door verzoekers aan het Hof overgelegde informatie niet volstaat om het verzoek te kunnen onderzoeken en het haalbaar wordt geacht vóór een beslissing informatie op te vragen bij de verwerende Verdragsluitende Partij.

Wanneer het onderzoek van het verzoek wordt aangehouden, wordt de verwerende Verdragsluitende Partij of worden beide partijen krachtens Artikel 54 § 2 (a) uitgenodigd de noodzakelijke informatie binnen een bepaalde termijn te verstrekken. De duur van die termijn hangt af van de omstandigheden van de zaak en van de mate van spoedeisendheid van het verzoek. Na ontvangst van de informatie van de partijen kan het Hof het onderzoek opnieuw aanhouden en nadere vragen aan de partijen stellen, of beslissen op het verzoek om voorlopige maatregelen.

Het Hof kan ook besluiten om, krachtens Artikel 39 § 3 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof, van een voorlopige maatregel kennis te geven aan het Comité van Ministers wanneer het rechterlijke orgaan dat de voorlopige maatregel heeft getroffen kennisgeving gerechtvaardigd acht. In die omstandigheden worden de partijen van de kennisgeving in kennis gesteld.

Wanneer wordt gesteld dat een verwerende Verdragsluitende Partij een voorlopige maatregel niet heeft nageleefd en het Hof besluit van het verzoekschrift of een deel daarvan kennis te geven aan de verwerende Verdragsluitende Partij, kan het Comité van Ministers ook in kennis worden gesteld van elke vraag die rijst over de naleving van de verplichtingen krachtens Artikel 34 van het Verdrag.

Beide partijen zijn verplicht volledig mee te werken aan een goed verloop van de procedure en met name alle handelingen te verrichten die binnen hun macht liggen en die het Hof noodzakelijk acht voor een goede rechtsbedeling (zie Artikel 44A). Voor verzoekers houdt dit in dat zij ervoor moeten zorgen dat verzoeken om voorlopige maatregelen tijdig worden ingediend en alle noodzakelijke informatie en documenten bevatten (zie de paragrafen 32–37 hieronder). Het is van cruciaal belang dat verzoekers de indiening van hun verzoek niet uitstellen met het doel een grotere mate van spoedeisendheid te creëren. Een dergelijk uitstel kan afbreuk doen aan hun rechten en belangen en aan het vermogen van het Hof om verzoeken om voorlopige maatregelen doeltreffend te behandelen. Voor Verdragsluitende Partijen geldt dat de mate van spoedeisendheid in veel gevallen, maar niet altijd, binnen hun invloedssfeer kan liggen. Het Hof benadrukt dat Verdragsluitende Partijen het Hof steeds vooraf kunnen informeren wanneer zij menen dat een verzoek krachtens Artikel 39 ophanden kan zijn, en daarbij alle relevante informatie kunnen verstrekken.

Zoals in paragraaf 13 hierboven is uiteengezet, worden de beslissingen van het Hof over verzoeken om voorlopige maatregelen aan de partijen meegedeeld in de vorm van een beslissing, ondertekend door het rechterlijke orgaan dat die beslissing heeft genomen. Het rechterlijke orgaan kan naar eigen inzicht een nadere motivering van de beslissing geven.

Tegen beslissingen over verzoeken om voorlopige maatregelen staat geen beroep open.

Een verwerende Verdragsluitende Partij kan het Hof echter verzoeken zijn beslissing tot het treffen van voorlopige maatregelen te heroverwegen, indien zij van oordeel is dat de maatregelen niet langer noodzakelijk zijn of indien zij over informatie beschikt die op het relevante tijdstip niet beschikbaar was of niet tijdig aan het Hof is verstrekt. Voor dergelijke verzoeken geldt geen vaste indieningstermijn. Na ontvangst van een verzoek om heroverweging kan de andere partij worden verzocht binnen een bepaalde termijn opmerkingen in te dienen. Het Hof onderzoekt vervolgens de opmerkingen van de partijen en beslist op het verzoek om heroverweging op basis van alle bijgewerkte en relevante feitelijke en juridische informatie.

Bij een wijziging van omstandigheden kunnen verzoekers een nieuw verzoek om voorlopige maatregelen indienen wanneer het oorspronkelijke verzoek niet is toegewezen.

Een maatregel krachtens Artikel 39 kan te allen tijde bij beslissing van het Hof worden opgeheven. In het bijzonder geldt dat, aangezien een bevel krachtens Artikel 39 verbonden is met de procedure voor het Hof, de maatregel zal worden opgeheven indien het verzoekschrift niet wordt gehandhaafd.

Wanneer dit gerechtvaardigd is, kan het Hof besluiten een verzoekschrift niet-ontvankelijk te verklaren tegelijk met de afwijzing van een verzoek om voorlopige maatregelen.

Overeenkomstig het prioriteitsbeleid van het Hof vallen verzoekschriften waarin voorlopige maatregelen zijn getroffen binnen de categorie “Spoedeisende verzoekschriften” (categorie I). Zij krijgen daarom voorrang boven verzoekschriften in andere categorieën en worden zo spoedig mogelijk behandeld en afgedaan (zie verder het prioriteitsbeleid van het Hof).

III. Praktische informatie over voorlopige maatregelen

Verzoeken om voorlopige maatregelen worden individueel onderzocht in een schriftelijke procedure en met voorrang behandeld. Overeenkomstig de praktijk van het Hof worden verzoeken die duidelijk buiten de reikwijdte van Artikel 39 vallen, voortijdige verzoeken en onvolledige of niet-onderbouwde verzoeken normaliter niet ter beslissing aan een rechter voorgelegd, maar afgewezen. Verzoekers of hun vertegenwoordigers die krachtens Artikel 39 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof een verzoek om een voorlopige maatregel indienen, dienen aan de hieronder uiteengezette vereisten te voldoen2.

2 2. Het is van essentieel belang dat volledige contactgegevens worden verstrekt.

A. Te verstrekken informatie en documenten

Verzoeken moeten, waar mogelijk, worden opgesteld in een van de officiële talen van de Verdragsluitende Partijen en moeten worden ingediend via de ECHR Rule 39 Site, dan wel per fax of per post worden verzonden. Het Hof neemt per e-mail verzonden verzoeken niet in behandeling.

Zij moeten de volgende informatie bevatten:

• Voorna(a)m(en) van de verzoeker

• Achternaam van de verzoeker

• Huidig adres van de verzoeker of plaats van detentie

• Geboortedatum

• Nationaliteit(en)

• Indien er meerdere verzoekers zijn: “Voorna(a)m(en)”, “Achternaam”, “Huidig adres”, “Geboortedatum” en “Nationaliteit(en)” voor elke verzoeker

• Voorna(a)m(en), Achternaam, Adres en hoedanigheid van de vertegenwoordiger, indien van toepassing

• Staat/Staten waartegen het verzoek wordt ingediend

De hieronder vermelde informatie en documenten moeten eveneens samen met het verzoek worden overgelegd.

A. Gronden voor het verzoek om voorlopige maatregelen:

1. Een gedetailleerde beschrijving van de huidige situatie;

2. De aard van het gestelde dreigende risico op onherstelbare schade;

3. Een kopie van alle daarmee verband houdende documenten (recente medische rapporten, foto’s, documenten waaruit de kwetsbaarheid van de verzoeker blijkt, persartikelen of rapporten over de situatie van de verzoeker enz.);

4. In zaken betreffende verwijdering/uitzetting/uitlevering:

a. Gedetailleerde redenen voor het verlaten van het land van herkomst/het land van bestemming;

b. Redenen voor de vrees om terug te keren naar het land van herkomst/het land van bestemming;

c. Informatie over de datum en omstandigheden van aankomst in de Verdragsluitende Partij;

d. Land van bestemming;

e. Datum van de verwachte verwijdering/uitzetting/uitlevering;

f. Een kopie van alle daarmee verband houdende documenten (huiszoekingsbevelen, aanhoudingsbevelen, strafrechtelijke veroordelingen, persartikelen of rapporten over de verzoeker, landenrapporten enz.).

B. Informatie over nationale procedures in de Verdragsluitende Partij:

1. Informatie over nationale procedures, met inbegrip van de datum en inhoud van rechterlijke beslissingen en beroepen;

2. Alle overige relevante informatie over procedures voor nationale autoriteiten;

3. Een kopie van alle daarmee verband houdende documenten (kopieën van beslissingen van nationale autoriteiten, rechterlijke beslissingen, verzoekschriften die bij nationale autoriteiten en rechtbanken zijn ingediend enz.);

4. In zaken betreffende verwijdering/uitzetting/uitlevering:

a. Informatie over asielprocedures, indien van toepassing;

b. Informatie over verwijderingsprocedures;

c. Een kopie van alle daarmee verband houdende documenten.

C. Ingeroepen artikelen van het Verdrag.

D. Een naar behoren ingevuld machtigingsformulier indien het verzoek door een vertegenwoordiger wordt ingediend. Het formulier kan kort na de indiening van het verzoek worden toegezonden. Verzoeken om voorlopige maatregelen vereisen de instemming van de verzoeker.

E. Een referentienummer van het Hof, indien u er met betrekking tot dit verzoek al een hebt.

F. Alle overige informatie en documenten die u noodzakelijk acht.

Indien de hierboven genoemde informatie en documenten niet worden overgelegd, kan dit ertoe leiden dat het verzoek om voorlopige maatregelen als niet-onderbouwd of onvolledig wordt beoordeeld.

Een enkele verwijzing naar argumenten in andere documenten of naar nationale procedures volstaat niet. De hierboven genoemde informatie en documenten moeten bij elk verzoek worden gevoegd.

Het Hof neemt niet altijd contact op met verzoekers van wie het verzoek om voorlopige maatregelen onvolledig is.

B. Tijdige indiening van verzoeken

Verzoeken om voorlopige maatregelen moeten normaal gesproken zo spoedig mogelijk na de definitieve nationale beslissing worden verzonden, zodat het Hof en zijn Griffie voldoende tijd hebben om de zaak te onderzoeken. In uitzettings- of uitleveringszaken kan het Hof verzoeken die minder dan één werkdag vóór het geplande tijdstip van verwijdering zijn ontvangen, mogelijk niet behandelen3.

Wanneer de definitieve nationale beslissing ophanden is en het risico bestaat dat zij onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd, met name in uitzettings- of uitleveringszaken, moeten verzoekers en hun vertegenwoordigers het verzoek om voorlopige maatregelen indienen zonder die beslissing af te wachten. Daarbij moeten zij duidelijk aangeven op welke datum de beslissing zal worden genomen en dat het verzoek afhankelijk is van een negatieve definitieve nationale beslissing.

3 3. De lijst van officiële feestdagen en andere vrije dagen waarop de Griffie van het Hof gesloten is, kan worden geraadpleegd op de website van het Hof: www.echr.coe.int/contact.

C. Nationale rechtsmiddelen met schorsende werking

Het Hof behandelt geen beroepen tegen beslissingen van nationale rechters. Verzoekers in uitzettings- of uitleveringszaken moeten daarom nationale rechtsmiddelen aanwenden die de verwijdering kunnen schorsen voordat zij het Hof om voorlopige maatregelen verzoeken. Wanneer een verzoeker nog nationale rechtsmiddelen met schorsende werking kan aanwenden, zal het Hof Artikel 39 niet toepassen om de verwijdering te voorkomen.

D. Verwijdering van een persoon naar een Verdragsluitende Partij

Wanneer een persoon van wie het verzoek om een voorlopige maatregel is afgewezen naar een andere Verdragsluitende Partij wordt verwijderd, kan hij of zij, indien nodig, tegen die Staat een nieuw verzoek indienen krachtens Artikel 39 van het Huishoudelijk Reglement van het Hof of een verzoekschrift krachtens Artikel 34 van het Verdrag.

E. Opvolging van verzoeken

Zodra een verzoek om voorlopige maatregelen is ingediend, moet de verzoeker of diens vertegenwoordiger daaraan vervolg geven en reageren op correspondentie van de Griffie van het Hof.

Een verzoeker moet zorgvuldig communiceren met de Griffie van het Hof. Het is van essentieel belang dat het Hof onmiddellijk in kennis wordt gesteld van elke wijziging in de administratieve status of andere omstandigheden van de verzoeker (bijvoorbeeld wanneer aan de verzoeker een verblijfsvergunning wordt verleend, wanneer hij of zij terugkeert naar het land van herkomst of anderszins van adres verandert, wanneer de datum en het tijdstip van verwijdering wijzigen, of wanneer een nieuwe rechterlijke beslissing wordt gegeven of zich een andere ontwikkeling voordoet die verband houdt met zijn of haar verzoek).

Wanneer een voorlopige maatregel is getroffen, moet de verzoeker of diens vertegenwoordiger het Hof regelmatig en onverwijld op de hoogte houden van de stand van eventuele aanhangige nationale procedures. Gebeurt dat niet, dan kan de zaak van de rol van het Hof worden geschrapt.

Wanneer een verzoek om voorlopige maatregelen is afgewezen, moet de verzoeker of diens vertegenwoordiger het Hof laten weten of hij of zij het verzoekschrift wil voortzetten. De vertegenwoordiger van de verzoeker moet het Hof ook onverwijld en uit eigen beweging informeren over elk mogelijk verlies van contact met de verzoeker.

Wanneer het verzoek via de ECHR Rule 39 Site is ingediend en vervolgens op die site is afgesloten nadat een beslissing aan de verzoeker of diens vertegenwoordiger is meegedeeld, moet verdere correspondentie aan het Hof per fax of per post worden verzonden. Correspondentie die per e-mail rechtstreeks wordt gericht aan een rechter, de President van een Afdeling, de President van het Hof of een medewerker van de Griffie wordt niet in behandeling genomen.